Hartje hartje

Onlangs zat ik met vriendin B. in een café aan de warme pompoensoep met brood. Tussen de happen door liet ze doorschemeren dat ik weer vaker moest bloggen. Zonde dat ik niet meer schrijf. Ik vond dat ze helemaal gelijk had. De fotografie slokt me al een flink aantal jaar op. En dat is vaak een zegen, maar soms ook een vloek. Een uit de hand gelopen hobby die veel moois heeft gebracht, maar ook veel tijd afknibbelt van andere zaken die ik óók belangrijk vind. Zoals pas op de plaats rust in plaats van weer ergens naartoe hollen en met 200 foto’s thuiskomen. Vriendin B. wist het mooi te brengen. “Je kunt zo goed schrijven over kleine, alledaagse dingen. Dat ik denk: hoe kun je daar nu een verhaal van maken? Maar jij doet het gewoon.” En terwijl ik mijn laatste restje soep naar binnen slobberde plukte ze en passant ook nog even de Aafs en Sylvia’s van deze wereld uit de lucht.

Ja, ruimte maken om weer te schrijven. Het trekt me steeds meer. Fotografie is een snel medium geworden, een extravert medium ook. Klik, share, klik, share, klik, share. Ik ben niet zo van het haastige en extraverte. En hét allesbepalende podium voor fotografen maakt het er ook niet beter op. Instagram, o, Instagram. Het grote profileerplatform is in wezen een belabberde tool zonder enige diepgang die gebruikers verslaafd maakt aan comments en likes en dagelijks bakken met beeldenbrij over je uitstort (hoe verwerk je dat allemaal?). Een medium waarbij je geacht wordt slechts te communiceren in termen als ‘amazing’ (handjeklap handjeklap), ‘terrific’ (hartje hartje) of “incredible”(vuurtje vuurtje) Maar tegelijkertijd is het een fantastisch medium om als fotograaf werk van andere fotografen te leren kennen en op een eenvoudige manier met hen in contact te komen. Vriendin M., bij wie ik onlangs op bezoek was voor een fotoshoot, vond me hip omdat ik Instagram gebruikte. Wat uit haar mond overigens een behoorlijk compliment was, want meestal steekt ze de draak met mijn behoudendheid (wat vijf tellen na het compliment ook gebeurde toen ze mijn oude paraplu zonder handvat in het gangportaal vond en me verkondigde dat ze nog nooit zo’n calvinistische paraplu had gezien, maar dat terzijde). Instagram dus. Ik vond mezelf niet bepaald hip toen ik er exact twee jaar geleden mee begon. Naar mijn idee zat inmiddels de hele wereld er al op, en was ik het achtergebleven fossiel dat ook nog even om de hoek kwam kijken. Dat bleek niet helemaal waar, maar tot een hartje hartje is het nooit gekomen.

pink broken hearts

Goed, terug naar de Haagse praatjes. Ga ik meer schrijven, minder fotograferen? Ik ga er in ieder geval mijn best voor doen. Maar met twee grote exposities in het vooruitzicht wordt het natuurlijk wel zoeken naar een balans. Misschien moet ik me – in navolging van alle slow trends in fashion en food – maar eens overgeven aan de slow photography. Niet meer met tweehonderd foto’s thuiskomen, maar met twintig, of tien. Zou me eindeloos veel schelen in het selectieproces. Of nog rigoureuzer: mijn Konica uit de kast opdiepen en weer ouderwetse rolletjes kopen. Kan ik me op Instagram mooi aansluiten bij de #analogclub of grossieren in #analogforever. Nieuwsgierig geworden? @sandra_uittenbogaart & @dit_is_scheveningen. Tja, een klein vuurtje vuurtje brandt er natuurlijk nog steeds.

Melancholie

Na mijn studietijd heb ik een jaar in Madrid gewoond. Daar had ik twee keer per week Spaanse les op hoog niveau. Schrijven moesten we, heel veel schrijven, want niets was zo goed voor de ontwikkeling van onze woordenschat. En daar zat ik dan in het donkere kamertje bij mijn hospita, met uitzicht op de binnenplaats vol fladderend wasgoed. Inspiratie zoekend tussen het onophoudende gejank van honden, geschreeuw van kinderen en geklets van buurvrouwen. Rust had ik nodig. Want hoe moest ik anders een redacción schrijven van twee blaadjes vol die moest eindigen met de volgende frase: “En toen zag ik hem zitten, met zijn rug diep in de leuning van de groenfluwelen fauteuil, verdiept in een roman.” Dat soort opdrachten. Onmogelijk zonder concentratie.
Madrid
Hoe raak je geïnspireerd, hoe zorg je dat je gedachten niet meevliegen met het wasgoed op de binnenplaats? Hoe doen professionele schrijvers dat? Ik had vanuit Nederland wat muziek meegenomen, maar die opzetten werkte niet. Teveel afgeleid, teveel neigingen mee te luisteren. Tot ik op een van de cd’s een stuk hoorde van Maurice Ravel: Pavane pour une infante défunte, in een bewerking voor saxofoon en orkest. Een lang stuk, bijna zeven minuten. Een bijzonder vraag-en antwoordspel tussen solist en strijkers. Melancholie in de basis, maar niet in de boventoon. En toen was ik opeens weg, weg uit mijn kamer en het lawaai en beland in het verhaal. De woorden rolden uit mijn pen, door elkaar, over elkaar heen, een wedstrijdje wie als eerste op papier mocht. De ene Spaanse volzin na de andere.

Tot de laatste noot had geklonken en ik weer terug was in het tumult van alledag. De woorden trokken zich terug, de inspiratie verstomde. Repeat, repeat! Waar zit de repeatknop op deze speler? Tien keer toetste mijn gretige vinger de knop in. Klik, klik, klik, klik. Meer dan een uur in een andere wereld. Toen was het etenstijd. Tortilla met doperwtjes. Maar ik had het nummer nog oneindig vaak kunnen beluisteren.

Mijn opstel telde uiteindelijk drie volle kantjes. Mijn juf vond mij een heel goede leerling. Ik vond mij vooral een heel gelukkige leerling.

Aan dit alles moest ik vanochtend denken toen ik op Radio4 een interview hoorde met schrijfster en juriste Naema Tahir. Haar werd gevraagd welke muziek ze het liefst beluisterde tijdens het schrijven van haar laatste roman. Dat waren de Gnossiennes van Satie. Prachtige muziek, verstillend, berustend. ‘Maar’, lichtte ze toe, ‘Ik luisterde alleenmaar naar deze muziek, hetzelfde stuk de hele dag door. Soms een week lang.’ Om er vervolgens aan toe te voegen: ‘Het bevat een bijzondere melancholie die bij het leven hoort. Die heeft me zeer geholpen bij het schrijven.’

Ravel en Satie. Landgenoten en tijdgenoten. Maar bovenal bondgenoten van het melancholische schrijversgilde.