Brandluchtje

Mijn avondmaaltjes zijn de laatste tijd niet zo smakelijk. De zonsondergangen zijn namelijk veel te mooi!
Wat dat met elkaar te maken heeft? Nou, alles!

Het gaat ongeveer zo. Ik ben in de keuken groenten aan het schoonmaken of heb rijst op het vuur gezet, en opeens zie ik vanuit mijn ooghoek dat de hemel steeds mooier kleurt. Soms voorvoel ik het ook en móet ik naar het raam lopen om te zien hoe de lucht eruit ziet. Vervolgens blijkt die Grandioos Geweldig Mooi te zijn.

Veel mensen die ik ken, worden dan heel blij. Ik niet: ik schiet in de stress. WAAR is mijn camera?? Ik MOET nu naar buiten! Vervolgens sleur ik het toestel uit de kast, draai ik als een gek de telelens erop en schiet als een speer het balkon op. SHIT. Het is koud! SHIT. Dit is zóóóó mooi!! Klik. Klik. Klik. F*CK. De witbalans staat nog op kunstlicht. Klik. Klik, KLik. F*CK. De ISO-waarde staat ook niet goed. RELAX man…

Adem in, adem uit. En dan komt eindelijk dat magische moment, dat ik weg raak van de wereld. Dat m’n camera goed staat ingesteld, dat ik geen kou meer voel en volledig opga in het moment. De zon zakt verder. Stralen van goud die door een wolkendek heen breken, paarse stroken, vergulde randen. De lucht staat werkelijk in brand. Onbeschrijflijk mooi.

Ik blijf fotograferen tot de zon geheel achter de huizen verdwenen is. En precies op dat moment, dat het allerlaatste straaltje dooft, weet ik het weer: OMG! De rijst! De boontjes! Het vlees! Hoe lang sta ik hier al? SHIT! STRESS!

Vijf minuten later zit ik aan de aangebrande rijst met bonenprut. Niet te (vr)eten natuurlijk. Maar wat daar op de camera staat, maakt alles ALLES goed!

Zonsondergang

Zonsondergang

Zonsondergang

 

Nat en zwart

Ik heb twee bloembakken op mijn balkon. Er rust geen zegen op.

Nog geen jaar geleden stonden hierin hyacinten te floreren. Roze, geel, paars, wit, alles door elkaar. Wat later in het seizoen kwamen kruiden op. Citroenmelisse voor in de thee, en iets wat op bieslook leek, maar niet zo smaakte. In de herfst ging er een eikenblad in groeien. Een stevige tak met puntige bladeren. Wat leuk, dacht ik, een eikenboom op mijn balkon. Alleen misschien niet zo handig in die bloembak.
Het werd onderhoudstijd. Het onkruid ging eruit. De hyacinten gingen opnieuw in de grond en kregen gezelschap van wat krokussen. In de andere bak pootte ik blauwe druifjes.
Duif

Toen werd het winter, en begon het lange wachten. Maandenlang bleef de zwarte aarde zwart. Medio februari werd ik ongeduldig en ging  dagelijks met sjaal warm omgeslagen op inspectietocht.  Komt er iets, groeit er iets, bloeit er iets?
Niks.
Helemaal niks.
Een natte, zwarte leegte.
Of toch?
Ja, eindelijk kwam er wat.

Merel en duif.
Merel en duif hadden eerder dan ik ontdekt dat de bollen deze natte winter niet hadden overleefd en pikten graag een restje mee.
Merel elke dag ’s ochtends. Klokslag kwart over acht. Aanvliegroute van links, landing op de rand. Kraaloogje in alle windrichtingen. Lijfje op scherp. Sprong in de aarde. Hups-pik, hups-pik, hups-pik naar de overkant van de bak. Halve pirouette. Hups-pik, hups-pik terug. Kat in het bakkie (woordgrapje van merel).
Duif doet het wat minder subtiel. Die komt wanneer-ie zin heeft. Vliegt aan vanuit de boom aan de overkant en landt met zijn poten midden in de bloembak. Slaat eens even goed met z’n vleugels en duwt z’n kop de aarde in. Slaat nog eens met z’n vleugels en is dan weer verdwenen.

En zo heb ik niet alleen twee lege bloembakken, maar dankzij het hupswerk van merel en het vleugelwerk van duif ook een balkon vol met aarde. Dagelijks nieuwe kluiten erbij. Zwarte troep overal. Op het bankje, op de tafel, op de grond.
Dubbel in de nesten dus.