Snippers

Ik ben gediagnosticeerd. Het is wetenschappelijk bewezen waarom ik niet meer zonder mijn dagelijkse focusdrankje met braam en acaï kan.
Het internet is de boosdoener!

Hersenen

Door het internet krijgen we dagelijks een bombardement aan informatie over ons heen, via talloze verschillende kanalen: e-mail, chat, facebook, twitter, google, youtube. Per week meer informatie dan iemand uit de 17e eeuw in heel zijn leven te verstouwen kreeg. Dat is een enorme hoeveelheid die je onmogelijk in één keer kunt verwerken. Dus wat doen we? We scannen de hele brij, vluchtig en oppervlakkig. Gemiddeld 10 seconden blijven we op een website hangen voor we worden afgeleid door een interessante kop of link en we onze focus kwijt zijn. En we springen van het ene kanaal naar het andere. Van een artikel op internet naar e-mail (even checken), naar facebook (ook even checken) naar twitter (die dan ook maar) en onderweg stuiten we op een leuke app voor onze smartphone die we gelijk maar downloaden. 
We zijn een kei geworden in het versnipperen van onze aandacht. En dat blijft niet zonder consequenties.

Jonathan Carr weet er alles van. Zelf al jaren ‘heavy internet user’ heeft hij onlangs een boek geschreven over hoe onze hersenen omgaan met internet. De conclusies liegen er niet om. We hebben onze hersenen de afgelopen jaren geleerd om voortdurend gestimuleerd te worden. Continu online te multitasken. En de grijze cellen hebben ons braaf gehoorzaamd. Geprogrammeerd om kort de aandacht vast te houden, staan ze nu  paraat om bij het minste of geringste afgeleid te worden. Gretig naar nieuwe, nog onontdekte  informatie. Onafgebroken gehakketak in het hoofd.

Zo zijn we onze focus beetje bij beetje kwijtgeraakt. En vinden we het moeilijk om ons langere tijd rustig op één ding te concentreren. Voorlopig worden we er niet dommer van, zegt Carr, maar wel oppervlakkiger en onrustiger. De effecten op langere termijn moeten nog onderzocht worden.

Ik voorzie een gouden handel. In braam en acaï. Telen die hap!

Het meisje en de kat

Op de koudste winterdag van december fietste het meisje bibberend naar huis. Het was laat in de middag, bijna donker en de temperatuur lag ver onder nul. De oostenwind blies venijnig door haar te dunne winterjas. Bijna thuis, zette ze haar fiets tegen de gevel en probeerde deze met verkleumde vingers op slot te zetten.
Toen, vanuit het niets, schoot er opeens een kat langs haar benen. Heftig gemiauw, zeer aandoenlijk. “Wat is er beest, heb je het koud?” vroeg het meisje. “Waar is je baasje dan?” De kat jammerde opnieuw. Het meisje aaide de kat. Het dier gaf kopjes en bleef mauwen. Het meisje pakte haar tas van de fiets en liep richting portiek, maar de kat versperde de weg. Hij draaide rondjes om haar benen. Het meisje stapte over de kat heen en klauterde de portiektrap op. De kat trippelde achter haar aan. “Wat moet ik nou met jou?”, vroeg ze zich hardop af. Het antwoord kwam vanzelf. Met deze temperaturen kon ze niemand buiten laten, zelfs een kat niet. Ze liet het beestje binnen.
De kat ging op ontdekkingsreis in zijn nieuwe territorium en het meisje belde haar buren of ze misschien een kat misten. Een donkere lapjeskat met vier witte pootjes. Maar niemand was zijn huisdier kwijt. Toen begon het meisje te niezen. Want ze was erg allergisch voor katten. Haar ogen begonnen te tranen en ze kreeg het benauwd. De kat, die inmiddels lag te spinnen op haar nieuwe vloerkleed, kon niet blijven. Ze lokte het dier naar de voordeur en gaf hem met pijn in haar hart een zetje naar buiten. De kat bleef nog heel lang voor de deur miauwen. Het meisje troostte zichzelf met de gedachte dat de kat meer vet op zijn lijf had dan zij. En dat-ie daarom hopelijk niet dood zou vriezen.

Kat

Op de warmste lentedag van april wordt het meisje wakker van een klaaglijk gejammer in het portiek onder haar slaapkamer. Lange uithalen doorklieven de vroege ochtendstilte. Het meisje staat op en loopt de trap af naar de voordeur. Ze haalt de deur van het nachtslot en nauwelijks is de klink opzij of er schiet vanaf de portiektrap een lapjeskat naar binnen. Een donkergekleurde, met vier witte pootjes. Hij verschanst zich in het verste hoekje onder haar trap en begint te knorren.  Het meisje krabt zich achter haar oor en vraagt zich af wat deze invasie te betekenen heeft. De kat komt haar bekend voor. Zo te zien heeft hij de winter overleefd.
Het meisje weet niet goed wat ze met de situatie moet, en besluit maar gewoon te gaan ontbijten. De kat volgt haar gedwee. Hij tippelt over het aanrecht, steekt z’n kop onder de kraan en knaagt aan alle planten. In de woonkamer nestelt hij zich bovenop haar eettafel en toont geen aanstalten daar nog vanaf te komen. Zijn knorren slaat om in een diep grommen. “Zeg me eens”, vraagt het meisje, “ben jij nou een kat of een tijger?” Ze aait de kat, wat niet verstandig is. Want daar beginnen de kriebels al. Loopneus, waterogen, genies. Je moet er weer vandoor beest! Maar deze keer laat hij zich niet zo eenvoudig naar buiten lokken. Telkens als hij bij de deur is, schiet hij terug naar boven en verstopt zich in de voorraadkast. Het meisje wordt er moedeloos van en besluit de kat op te pakken en uit huis te zetten. Tot haar grote verrassing laat het dier zich gewillig naar buiten dragen. Maar daar begint het gejammer opnieuw: m-a-a-u-u-w, M-A-A-U-U-W.  Maar deze keer geen vrieskou of ijzige oostenwind. Nu is het een prachtige voorjaarsdag. Het meisje spreekt de kat bestraffend toe: “Je bent gewoon een kat met aandachtstekort. Je probeert stiekem bij alle buren naar binnen te komen. Maar nu weet ik het! Vanaf vandaag krijg je alleen nog maar een aai over je bol op straat. Mij hou je niet meer voor het lapje!”

Focus

Vandaag kocht ik een flesje vitaminewater in de supermarkt. Dat is tegenwoordig heel hip. Vitaminewater. De flesjes hebben aantrekkelijke kleurtjes en beloven een lekker leven, vol energie, passie of weerstand. Het paarse flesje beloofde Focus. Dankzij toegevoegde braam en açai. Dat leek me wel wat. Want ik was alweer de halve dag bezig met heel veel dingen. Behalve met die dingen die ik eigenlijk wilde doen. Focus, dat moest in mijn mandje. Ik heb namelijk een chronisch aandachtstekort.

Vitaminewater

Even voor de goede orde, ik heb geen ADHD. Zij die dit blog lezen en mij kennen, zullen al denken. Krijg nu, zij is de allerrustigste  persoon die ik ken. Dat klopt. Maar mijn tekort uit zich ook niet op het sociale vlak, maar meer op het persoonlijke. Concentratie is het probleem, focus dus.

In mijn hoofd is het altijd druk. Buitelen honderden gedachten over elkaar heen. Als ik A wil gaan doen, doe ik B en C en D, en denk ik een half uur later: Goh, ik zou toch… nou ja zeg… hoe kan dat nou…? “En dan ben je nog maar 35”, hoor ik mijn moeder met regelmaat zeggen. Als ik heb besloten dat ik de plantjes water wil geven, loop ik naar de keuken om de gieter te pakken, kom ik terug met een boek dat ik daar had laten rondslingeren en staat mijn groen de volgende dag nog te smachten om water. Als ik naar de wc moet, hobbel ik vijf minuten later weer de kamer in met een stapel post in mijn handen en heb ik een uur later nog een volle blaas. Tja, dat lag ook in de gang. En trok mijn aandacht.

Ik weet dat er oplossingen zijn. Zo heb ik al mindfulness geprobeerd. Ook dat is helemaal hip, net als water met braam en açai. Eén boek dat ik las, bevatte slimme tips om je bewuster te worden van je dagelijks handelen. Tip 22 zei: gebruik eens een dagje je verkeerde hand voor allerlei klusjes. Kijk wat voor effect dat heeft. Dat leek me wel stoer.

Later kwam ik op die conclusie terug. Maar toen had ik mijn piano al water gegeven in plaats van mijn plantjes die erbovenop staan. En had ik mijn mondslijmvlies tot bloedens toe gepoetst. In plaats van mijn tanden.

Vanaf nu dus elke dag een  flesje vitaminewater. ‘Focus. De hele dag scherp, ik voel me net een bolleboos’ (ja, staat er echt!)
Aandacht is een kostbaar goed.